wesp
column, podcast

Wespen

Wespen. Het zijn rotbeesten. Je kan er geen afspraken mee maken. De enige taal die ze verstaan is slaan. De mens slaat. De wesp steekt. Maar ik doe er niet aan mee.
Een wesp heeft er niets aan om te steken. Hij steekt alleen als hij niet anders kan, probeer ik mezelf gerust te stellen. Dus probeer ik kalm te blijven zitten en het beest te negeren. Er is één uitzondering. Ik kan er niet tegen als ze voor mijn gezicht vliegen, laat staan op mijn gezicht gaan zitten. Dat geeft me de kriebels en dan ga ook ik meppen.

Nee, ik ben geen vriend van een wesp. Het zijn geboren party crashers. Is er ergens een feestje, dan zijn zij er bij. Eigenlijk zijn het party poopers. Ze verpesten elk zomers lolletje. Ik zou graag die ene afspraak met ze willen maken: Niet in het gezicht, dan ga ik ook niet meppen.

Maar met wespen valt geen afspraak te maken. Met mijn vriendin trouwens ook niet. Elke keer luistert ze naar mijn versie van de psychologie van de wesp. Ze snapt heus wel dat ze niet steken als je ze maar met rust laat. Maar zodra de eerste wesp zich aandient is het gedaan met de rust aan de picknicktafel. Ik vraag mijn vriendin om rustig te blijven zitten. ‘Ze doen niks’, roep ik. Mijn bezwering heeft nauwelijks effect.

Ze houdt zich nog even in. Maar vanaf nu geldt code ‘oranje’. De troepen zijn in verhoogde staat van paraatheid en dat blijven ze voorlopig. Het beest wordt argwanend gevolgd en het gesprek is verstomd. Nog een wesp erbij en de code wordt verhoogd naar rood. Zodra een insect zich waagt in de buurt van ons kind, gaan we naar alarmfase ‘paars’. Nu is alles geoorloofd om de beesten onschadelijk te maken. Verzuipen, doodtrappen, platslaan. Ik probeer de schade te beperken door niet in paniek te raken. Om me heen woedt een oorlog, een spiraal van geweld waarbij elke uithaal wordt vergolden met een nieuwe aanval. Kinderen barsten in huilen uit en etenswaren vliegen in het rond. Ik doe een poging de picknick te redden en voorkom dat kostbare ranja weglekt op het kleed.

Eén moment keert de rust terug. Zijn ze weg? Kunnen we eindelijk gaan eten. ‘Rustig maar, liefje’, sust mijn vriendin ons kind. Maar dan zijn de wespen terug. Een hele zwerm wespen stort zich als een squadron Stuka’s op míj. Waarom ik?! Het antwoord is simpel. Ik zit onder de ranja en krijg het spul er niet meer af. Nu moet ik rennen voor mijn leven. Ze zitten overal. Voor me, achter me, onder me, in mijn oren, mijn neus, mijn keel. Ik sla, mep, schreeuw, ren voor mijn leven naar de andere kant van de wei, waar ik me veilig waan. Ten onrechte, want daar zijn ze weer. In paniek trek ik mijn shirt uit en sla woest om me heen. Het moet een raar gezicht zijn, zo’n volwassen kerel die bang is voor een paar wespen.

Als de laatste is vermorzelt en ik uitgeput terugkeer naar de idylle in de schaduw kijken vriendin en kind me meewarig aan. ‘Je moet ook niet slaan’, zegt mijn vriendin koeltjes als ze de laatste hap neemt van de salade, ‘Dan worden ze agressief. Dat zijn jouw eigen woorden.’ En reken maar dat die opmerking steekt.

Spread the word