Berkenfineer

Ik breng mijn vader naar het ziekenhuis. Hij heeft een afspraak met de specialist en hij wil graag op tijd zijn. We zijn op tijd, ruim op tijd. We zijn pas over drie kwartier aan de beurt en dus nemen we plaats in een bijna steriele ruimte tussen allemaal zwijgende mensen van papa's leeftijd.

Gelukkig heb ik een boek meegenomen, en voor de zekerheid ook nog de krant. Mijn vader niet; hij is niet zo'n lezer. Pa zit kalm rechtop te wachten op zijn beurt. We praten nog even over koetjes en kalfjes, maar als hij nonchalant een tijdschrift openslaat, heb ik een excuus om mijn boek te pakken en ik graai alvast in mijn binnenzak om mijn leesbril te pakken. Maar, wat gek?! Ik tast mis. Shit! leesbril vergeten. Moedeloos zak ik onderuit. Zonder leesbril kan ik zelfs op mijn telefoon niet zien hoe laat het is.

Daar zit ik dan in een wachtkamer vol zwijgende mensen, terwijl we nog drie kwartier te gaan hebben – als we tenminste van het meest optimistische scenario uit gaan – want noem mij een dokter die precies op tijd is met zijn afspraken. Onrustig kijk ik de ruimte rond en zie grauwe gezichten, uitdrukkingsloos, lijdzaam hun lot ondergaan. Zo moet het dus zijn als je chronisch ziek wordt; als je niet overlijdt aan je kwaal, dan sterf je wel van de verveling.

Ik kijk naar een man die zonder al te veel belangstelling bladert in een magazine vol gezonde jonge vrouwen. Veel keuze is er niet op tijdschriftgebied, want het assortiment is zo te zien zorgvuldig samengesteld door een persoon van het vrouwelijk geslacht met opvoedingkundige kwaliteiten; geen Revue of Panorama, geen Voetbal International of Vrij Nederland te bekennen, alleen Libelles en Home and Gardens.

Ik wordt steeds ongelukkiger, want ik heb geen talent voor wachten, ook nooit gehad. Tien minuten vertraging vond ik al een ellende en als jongetje vond ik de kerk het ergste was er was. Dan moesten we een uur lang stil zitten Op houten banken en dat kan ik helemaal niet; ik word rusteloos, ik ga trommelen met mijn vingers en op zoek naar afleiding in wat voor vorm dan ook. Wat een straf.

"Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt"

La Divina Commedia. Dante Alleghieri. canto 3.

Over straf gesproken. Zou de hel er ook zo uitzien? Mijn gedachten dwalen af naar de Goddelijke Komedie van de Italiaanse dichter Dante. In gedachte zie ik Dante het voorgeborgte binnengaan aan de hand van zijn gids Vergilius. In de negen kringen van de hel moeten zij afdalen vooraleer ze het vagevuur en tenslotte het paradijs kunnen betreden.

In Dantes hel worden de zondigen gestraft voor hun hoogmoed, hun gulzigheid, hun luiheid of hun verraad. Eeuwig draaien de dikzakken, de sodomieten en de overspeligen rond de diepste krochten van het Inferno, daar waar Lucifer vastgevroren zit in het ijs. Eeuwig is de straf voor hun zwakheden en hun gebrek aan geloof.

Ik kijk opzij naar de kalme gestalte van mijn vader. Hij is de rust zelve, zoals altijd. Hij ondergaat het wachten zoals hij het leven ondergaat; geduldig, ijverig en zonder commentaar of subversieve plannen. Papa is het tegenovergestelde van mij. Hij zal vast in de hemel komen als beloning voor zijn godvruchtige leven in dienst van anderen.

En ik… mijn leven is een aaneenschakeling van halve pogingen en hele mislukkingen, nieuwe wegen en oude valkuilen, twaalf ambachten en… affijn. Daarbij heb ik het ware licht ook nog niet gezien en ben ik vooral bezig met mijn eigen nietszeggende beslommeringen. Het hiernamaals zal weinig goeds voor me in petto hebben en het besef dringt door wat me daar dan wél te wachten staat.

Mijn plaats in de hel zal een helverlichte wachtkamer zijn met meubels van berkenfineer, een wit systeemplafond en groenige tl-verlichting, waarvan enkele buizen storend knipperen. De ruimte zal wit zijn als het stralende licht van Gods genade, zonder posters en schermen, zonder afleiding, zonder prikkels en zonder hoop. Want staat er niet immers boven de entree van Dantes Inferno.

In mijn hel zit ik met mijn getrokken papieren nummertje in mijn hand en kijk naar het telwerk dat steeds weer terugspringt op hetzelfde nummertje, dag in, dag uit, jaar in, jaar uit, dag in, dag uit, jaar in, jaar … Dan staat vader op. 'Kom,' zegt hij. Ik schrik op uit mijn gepeins en besef dat we aan de beurt zijn. Gelukkig is mijn tijd nog niet gekomen, ik heb nog even om mijn leven te beteren…

Spread the word