Verderfelijk design?

Bettine Uhe

1

De expositie van Design in het Derde Rijk in het Bossche Designmuseum roept ook bij mij vragen op. Verwarrende emoties en tegenstrijdige gedachten, even ingewikkeld als mijn schaamte die ik voelde over de jongste geschiedenis sinds ik een naoorlogse puber in Duitsland was en wij ons vragen stelden over onze historische erfenis die ook altijd een persoonlijke erfenis is. Mijn vader sneuvelde in 1944. Hij heeft me maar een keer kunnen zien. Ik heb schaamte meegebracht naar het buurland en dat bleek mijn leven lang een slecht deel van de bagage te zijn.


De expositie doet iets met mijn schaamte, een van de meest ingewikkelde emoties. Niet makkelijk me te mengen in het gesprek. Ik kies empathie daarvoor als uitgangspunt. Het woordenboek definieert empathie als het zich hartstochtelijk invoelen in de ander: Het lijkt de toverformule in onze culturele impasse geworden, een panacee tegen de teloorgang van verbondenheid, zelfs een rem op de ondergang van het Avondland misschien. Of is het empathie een sleets containerbegrip geworden? Is het oude wijn in nieuwe zakken? Hoe dan ook, ik ben in denkbeeldig gesprek verzeild geraakt met de woordvoerder van de Bond voor Antifascisten en Oud-verzetsstrijders, die zich fel verzet tegen de komst van de expositie. Ik vraag me af: Zou het mogelijk zijn

– een dialoog te proberen
– respect te tonen en respect te vragen
– de aandacht te richten op wat ons verbind

Het laatste vooral. Dit zijn, alles wel beschouwd, geen boterzachte doelen. Empathie vereist allereerst een eigen kwetsbaarheid een geen afweer vanuit identificatie met de vermeende agressor. De communicatieve praktijken om ons heen tonen elke dag, hoe moeilijk dat is. Ik herken mijn eigen afweergeschut maar het onscherp te maken is makkelijker gezegd dan gedaan.
Om en nabij een halve eeuw woon ik nu al in de schaduw van de Bossche kathedraal. Voorbeeldig geïntegreerd, zoals mijn Nederlandse zoon laatst opmerkte ondanks mijn hardnekkige taalachterstand, die ik nooit volledig kan inlopen. Nog geen eens vluchteling, noch economisch noch politiek, ontsnapte ik als jong mens vijftig jaar geleden aan de atmosfeer in het naoorlogse Duitsland, en liep gewoon de liefde achterna. Empathie heb ik node gemist in den vreemde en het gemis heb ik uitvergroot en vooral de ander kwalijk genomen. ‘Daar heb je haar weer’, zag ik mijn nieuwe landgenoten denken. ’Ze speelt het slachtoffer.’ Pijnlijk om je te moeten herinneren, hoe vaak je in een van je eigen valkuilen liep. Het verhullen van schaamte was een van en de meest diepe ervan.
Allereerst dus een persoonlijke herinnering die gaat over gebrek aan empathie en over het misverstand, dat wie naar een swastika kijkt nog geen nazi is, zoals Timo de Rijk het kort en bondig formuleerde: Dat een vorm en de betekenis, die eraan wordt toegekend, los staan van elkaar. De verwerpelijke boodschap van nazi-design is onderscheiden van haar kunsthistorisch perspectief. Het is een moeilijk onderscheid voor ongeoefende kunstbeschouwers. Misverstand ligt op de loer, een afweermechanisme kan zich laten verleiden, de kop weer op te steken. Wie naar een swastika laat kijken, sympathiseert onder het mom van de kunstgeschiedenis de betekenis ervan, zoals de museumdirecteur werd verweten. Een afweermechanisme als identificatie met de agressor weert niet de vermeende agressor af maar de angst voor zijn agressie.


Het laatste vooral. Dit zijn, alles wel beschouwd, geen boterzachte doelen. Empathie vereist allereerst een eigen kwetsbaarheid een geen afweer vanuit identificatie met de vermeende agressor. De communicatieve praktijken om ons heen tonen elke dag, hoe moeilijk dat is. Ik herken mijn eigen afweergeschut maar het onscherp te maken is makkelijker gezegd dan gedaan.
Om en nabij een halve eeuw woon ik nu al in de schaduw van de Bossche kathedraal. Voorbeeldig geïntegreerd, zoals mijn Nederlandse zoon laatst opmerkte ondanks mijn hardnekkige taalachterstand, die ik nooit volledig kan inlopen. Nog geen eens vluchteling, noch economisch noch politiek, ontsnapte ik als jong mens vijftig jaar geleden aan de atmosfeer in het naoorlogse Duitsland, en liep gewoon de liefde achterna. Empathie heb ik node gemist in den vreemde en het gemis heb ik uitvergroot en vooral de ander kwalijk genomen. ‘Daar heb je haar weer’, zag ik mijn nieuwe landgenoten denken. ’Ze speelt het slachtoffer.’ Pijnlijk om je te moeten herinneren, hoe vaak je in een van je eigen valkuilen liep. Het verhullen van schaamte was een van en de meest diepe ervan.
Allereerst dus een persoonlijke herinnering die gaat over gebrek aan empathie en over het misverstand, dat wie naar een swastika kijkt nog geen nazi is, zoals Timo de Rijk het kort en bondig formuleerde: Dat een vorm en de betekenis, die eraan wordt toegekend, los staan van elkaar. De verwerpelijke boodschap van nazi-design is onderscheiden van haar kunsthistorisch perspectief. Het is een moeilijk onderscheid voor ongeoefende kunstbeschouwers. Misverstand ligt op de loer, een afweermechanisme kan zich laten verleiden, de kop weer op te steken. Wie naar een swastika laat kijken, sympathiseert onder het mom van de kunstgeschiedenis de betekenis ervan, zoals de museumdirecteur werd verweten. Een afweermechanisme als identificatie met de agressor weert niet de vermeende agressor af maar de angst voor zijn agressie.

Het is twaalf jaar geleden.
Mijn toekomstige vriend zat voor het eerst aan mijn keukentafel. Hij had bouwkunst gestudeerd, doceerde architectuur en stedenbouw en werd later kunstenaar. Onder de indruk van een spoor van hartstocht in het verhaal kreeg een overjarige studente vlinders in haar lijf. Zijn vader had tot 1939 in Berlijn bij Siemens gewerkt en er is nog altijd weer deze bijzondere golf van weemoed, zei hij, lopend onder het Brandenburger Tor van West naar Oost of omgekeerd. De vlinders kregen steeds bontere kleuren tot het gesprek een schrille wending nam, toen hij vertelde van een fascinatie voor enkele gebouwen van Hitler’s bouwmeester Albert Speer. Mijn vlinders vlogen zich acuut te pletter. Iemand met nationaalsocialistische sympathieën mocht hoe dan ook niet aan mijn tafel zitten, riep ik. Hij zag mijn ontreddering en lichtte toe, maar ik kon niet meer luisteren. Verslagenheid, teleurstelling, woede en verdriet, vooral verwarring maakten zich van me meester en ik wees hem de deur. Afweer, angst en misverstand, kortom verwarring die we gelukkig enkele dagen later konden ontrafelen. Niet de vorm is abject, maar wel de instrumentalisering, begreep ik.
Tegenover me zat mijn een toekomstige beste vriend, een bezonnen spreker en hartstochtelijke verstaander die me leerde, dat empathie ook met jezelf verzoent.

Empathie en schaamte gaan niet samen. Niet in relatie tot een ander en ook niet in relatie tot jezelf.
Kinderen hebben twee dingen nodig, zei Goethe: Wortels en vleugels.
Freud sprak later van de twee belangrijke driften: Angst en erkenning.
Vandaag de dag zijn driften zijn een dominant heerschap. De rede heeft het moeilijk, wanneer fictie feiten en feiten fictie worden, de verbeelding tiert welig, raakt losgezongen van de spanning met de werkelijkheid. Het museum toont moed en daar ben ik trots op . De oorlog is nog maar nauwelijks voorbij en houd nog zoveel hoofden bezet, terwijl gevaarlijk populisme alweer de kop opsteekt. Dat men de moed toont uitgerekend in de provinciestad, waar ik ben aangekomen, maakt me gelukkig. Er is een kans op meer historisch besef.
De prikkelende titel voor een lezing gegeven door de museumdirecteur twee maanden voor de opening luidde ‘Verderfelijk Design?’ Er werd een pamflet uitgereikt bij aanvang:
Stop Nazi Expo in Den Bosch! Dit stond te lezen met argumenten zoals

– de directeur leunt tegen het nazisme aan,
– hij noemde Auschwitz in de krant een efficiënt ontwerp en
– hij heeft volgens eigen zeggen in een interview met de Volkskrant een nazi-kruis boven zijn bed hangen.

En ga zo maar door. Dat en nog veel meer herhaalde de Bossche woordvoerder van de Bond van Antifascisten en Verzetsstrijders tijdens het vragenuurtje na de lezing met verve. Hij stapelde aanklacht op aanklacht, kon zijn emotioneel volume nauwelijks de baas, vroeg gekrenkt om erkenning. Begrijpelijk, deze identificatie met de agressor, dacht ik. Maar terecht?
Niet alleen in Duitsland is er van verrechtsing en zelfs oplaaiend antisemitisme sprake. Wil het museum het misverstand bestrijden en toch met sensatie bezoekers lokken? Ik erken: Er zit ook bij mij angst onder mijn trots over de moed van het museum en verdriet onder de woede over het uitgereikte pamflet. Mijn angst is, dat anti-Duits sentiment nieuw leven word ingeblazen en mijn verdriet, dat ik wel de emotie van de tegenstander begrijp en respecteer, maar niet de argumenten en de wijze, waarop ze woorden voorgedragen. De argumentatie bij monde van de directeur was helder: Ons perspectief is een kunsthistorisch perspectief! Museaal doen we het in Nederland uit dit oogpunt niet goed genoeg wat betreft het Derde Rijk. Hij reageerde geduldig op de aantijgingen van zijn aanklager, de oud-verzetsman, die stelde, dat het museum wonden openbreekt en de slachtoffers van het nationaalsocialisme kwetst en beledigt. Vaak rechtvaardigen slachtoffers bewust of onbewust het gebruik van macht, wat ze de dader verwijten.
Ik kon mijn mond niet houden, excuseerde in dit gezelschap de Duitse tongval . In polderland, waar men doorgaans liever geen stelling neemt en toch gidsland wil zijn heb ik het gesprek node gemist, zei ik. Dat mijn rugzak volgepakt zit met schaamte over de jongste geschiedenis en dat ik sindsdien net zoals de vorige spreker het verlangen koester om gehoord te worden. Dat ik me zelfs in hem herken, zei ik en het morele wijsvingertje nog steeds pijn doet na al de jaren. Het voelt alsof je de mond gesnoerd wordt. Maar dat ik nog steeds moet leren mijn projecties terug te nemen en dat kunst me helpt bij de gigantische klus. Kunst moet immers naar iets verwijzen, zei ik, volgens Claes Oldenburg iets anders doen als in het museum op haar aars te zitten. En Frans Kafka schreef over het bijl voor de gevroren zee in ons.
De aanklager ging nergens op in.
Toch slaagde de avond naar mijn idee. Er hing iets in de lucht. Niet alleen voor mij werd duidelijk, hoe pijnlijk het gemis aan empathie over en weer kan zijn. Juist door alle commotie, die ze nu al oproept verhoogt deze expositie de kans op een dialoog over vragen die men zich zelf eerder niet had gesteld, hoorde ik bezoekers zeggen na afloop.
Ik verheug me er nu al op, dat mijn vrienden en ik naar aanleiding ervan misschien meer dan ooit op zoek zullen gaan naar wat ons verbind en zou niets liever willen dan met de Oud-Verzetsman een dialoog te proberen.

2
Terug naar het begin. Empathie vereist zelfonderzoek. Laat ik me dus niet verschuilen achter de moed en het brein van een ander. Laat ik mijn eigen ambivalenties, vooroordelen, waarden en normen onder ogen zien. Ook daar is moed voor nodig. Je moet je woorden door ervaring veroveren, zei Jorge Luis Borges, Argentijnse dichter en essayist. Je moet je Ik verdienen, zegt een Nederlandse schrijfster, Marja Pruis.
Toen nog niet lang geleden de biografie van Lucebert was verschenen lazen we dat hij zich als jonge man kortstondig door het nazisme liet verleiden. Ook dat riep veel vragen op. Lucebert was geen uitzondering. Jonge mensen, waarom niet ook jonge kunstenaars, waren gevoelig voor de belofte van een betere wereld. Zoals ook mijn vader, die in zijn brieven aan mijn moeder indringend getuigde van zijn verscheurd gemoed: ‘Ik wil later door mijn zoon geen lafaard genoemd kunnen worden.’ Mijn ouders trouwden in 1940 en hadden vier jaar lang vooral een huwelijk op briefpapier.
Wie zou ik op deze leeftijd geweest zijn in een tijd als deze? Hoe empathisch kun je zijn, als alle aandacht gaat naar overleven? Waarom onderschrijf ik nu, opgezadeld met mijn geschiedenis, niet gewoon het pamflet van de Antifascisten? Waarom neem ik alsnog het risico voor misverstand? Wat betekent:

– ‘Alles van waarde is weerloos’?
– Hoe kwetsbaar durf ik zelf te zijn?
– Het is nu meer dan ooit tijd voor zelfonderzoek!

Er werd iets luidkeels ten grave gedragen in 1933, toen het nationaalsocialisme aan de macht kwam. Het decor vormden de hakenkruisen, die op aangelichte immense banieren de nachtelijke hemel wilden aanraken. Dit was de verticale verbeelding van de wil tot macht! Denk ich an Deutschland in der Nacht, so werd ich um den Schlaf gebracht, dichtte Heinrich Heine een halve eeuw eerder alsof hij dit pompeuze decor en wat erachter schuilging had voorzien, terwijl hij ook over de nachtegalen schreef met zijn ironische ondertoon, die zijn verlies van een thuis in Duitsland altijd heeft gekenmerkt. Hij stierf als jood in Parijs in 1856 . Hij herkende de tekenen van de tijd in zijn geliefde vaderland, hij zag met pijn in zijn hart beklemmende voortekenen. Daar waar men boeken verbrand, verbrand men tenslotte ook mensen, zei hij en zong als het ware nog op het sterfbed een laatste versie van ‘Ein deutsches Requiem’ van zijn tijdgenoot Johannes Brahms. Hier werd de late romantiek in haar meest kwetsbare volmaaktheid of volmaakte kwetsbaarheid verklankt. De Nazi’s wilden esthetica, geen kwetsbaarheid. De verleiders suggereerden, zichzelf overschreeuwend, dat verlangen vervuld naar een paradijs op aarde vervuld kan worden. Ze maakten, zoals door vertolkers gebeurt van elk totalitair systeem, de verbeelding tot slaaf en eisten collaboratie. Ik besef, hoe verleidelijk de utopie voor mijn kneedbare jonge ziel geweest zou kunnen zijn. Met mijn kunstenaarsvrienden, velen vaderloos zoals ik, zocht ik de uitweg in verbeelding. We discussieerden tot in talloze kleine uurtjes. Over kunst de verhouding tussen kunst en esthetica, tussen kwaliteit en de toegekende betekenis eraan. Over de vraag, of de opdracht van machthebbers aan kunstenaars al dan niet noodzakelijk identiek was met de opdracht, die ze zich zelf stelden. Voor ons was dit het uiteraard een brandende kwestie en we aanvaardden een zogenaamde collectieve schuld. We moesten immers beter dan onze ouders weerstand bieden aan de vergezichten van een betere wereld, verfoeiden fascistische tendens van Tristan en Isolde en bestelden nog een laatste pot bier. We konden het Lucebert nog niet nazeggen, dat alles van waarde weerloos is. We waren te jong en te vol vuur, om empathisch te kunnen zijn, nog voortdurend op zoek naar wat juist en wat waar is en naar het eigen gelijk. We beoordeelden en veroordeelden de beeldcultuur en haar kunstenaars onder het mom van persoonlijke integriteit. We wisten immers goed, hoe integriteit verloren kan gaan. Zo dachten we toen.
En nu? Wat gebeurt er eigenlijk in de huidige beeldcultuur? Nu alles lijkt te kantelen, betekenissen vloeibaar geworden zijn net als de identiteiten, die zich misschien juist daarom soms zo luidkeels manifesteren?
De nazi’s kenden in hun tijd Amerikaanse verleidingstheorieën en beheersten de praktijken en illustratietechnieken. Met de ‘Entartete Kunst’ op de brandstapel zongen zij een ode aan het volk dat trouw aan zichzelf met beide benen op de grond staat. Het volk is sterk, niet kwetsbaar, zo luidde hun boodschap! Kwetsbaar is een korenveld met nachtvogels, zoals van Gogh het schilderde. Het volk staat in zijn kracht en dat laat de nazi-kunstenaar zien. ‘Nooit eerder en nooit later’, schreef de historicus George Mosse, de eerste historicus van de mannelijkheid, ‘is de mannelijkheid tot zulke hoogtes verheven als tijdens het fascisme.’
‘De zwakken moeten uit de weg moeten geruimd,’ zei Hitler, die zich omgaf met kunstenaars en architecten. We weten allemaal wie hij bedoelde.
Nationaalsocialisten pretendeerden de stem van het volk te zijn dat verlangde naar een betere wereld. Lucebert liet zich kortstondig verleiden en wist daarna, dat het wezenlijke van een kunstwerk juist de weerloze ambiguïteit ligt. paradox. Hij werd een kunstenaar die zijn ambiguïteit kon uithouden.
Soms breekt kunst het gevroren meer in ons. Als jonge vrouw begreep ik nog weinig van mijn fascinatie voor wat wij als studenten lazen over schoonheid, die ondenkbaar is zonder schaamte. Verhit waren de discussies bij gebrek aan intellectuele bagage over het verschil tussen esthetica en kunst, over het bevallige van leugens en het gevaarlijke van toepassing. Nu nog, na meer dan vijftig jaar, herinner ik me een van mijn trouwe bezoeken aan de Documenta in Kassel, sinds 1955 wereldwijd de belangrijkste tentoonstelling van beeldende kunst die om de vijf jaar plaatsvind. Het was de tijd van de Berufsverbote. Ik was rond de twintig jaar jong, even oud als Lucebert, toen hij zich liet verleiden. Buiten hingen reusachtige affiches rond het terreur en geweld van de RAF, de Rote Armee Fraktion en had Josef Beuys in 1965 keien op het grasveld laten leggen als metaforen voor de door zure regen versteende Duitse Eiken. Het was een gelaagd beeld, dat onder zware wolkenlucht heftig scheurde. Binnen zat ik dan wel twee uur lang met het klamme zweet in mijn handen. Een camera bewoog zich in eeuwige herhaling tergend traag over een adembenemend mannenlijf. De schoonheid ervan weergaloos, de esthetica volmaakt. ‘Op repeat’ zong Maria Callas het ‘Casta Diva’ als muzikale onderschildering. Deze kunst dreef in de naoorlogse jaren de ambiguïteit op de spits!
Ik bleef nadenken over de schoonheid van gebochelde lijven, anti-helden, losers, kreupele bedelaars en hoeren. Kortom, over de tegendraadse schoonheid van verfomfaaide zielen, die het lot in de steek had gelaten en hartstochtelijk betekenis kregen van kunstenaars. Lees de filosoof over de kunst – Schopenhauer – en je begrijpt, waarom fascinatie gevaarlijk kan zijn en kunst pas verderfelijk wordt door de betekenis, die wij zelf eraan geven. Of lees Kundera over de ‘Ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ en je begrijpt, dat het misschien meer zin heeft om duisternis onder ogen te zien en toch op zoek te gaan naar wat ons verbindt.

Spread the word

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.